Wat ik van Eberhard heb gekregen

Wat ik van Eberhard heb gekregen

In de twee jaar dat onze Simon onder voorzitterschap van burgemeester Eberhard van der Laan – gelukkig samen met Susanne Duijvestein – in de Amsterdam Economic Board zitting had, heeft hij één keer Eberhard’s onverdeelde aandacht gehad. Maar toen liet Eberhard hem ook direct tot ver voorbij het achterste van zijn tong, tot diep in zijn hart, kijken. Simon schreef er het volgende over:

“Samen met Susanne vertelde ik die dag namelijk aan Eberhard en de andere boardleden dat we dachten dat het anders moest. Dat we dachten dat er een weeffout zat in de werkwijze van de Board, een fout die verholpen kon en moest worden om meer te kunnen betekenen voor de regio.

Maar iets in wat of hoe ik het zei raakte hem. En hij werd woedend: witheet zette hij de aanval in. Op de persoon en met brede armgebaren, trillende neusvleugels, een harde slag op tafel, en tegelijkertijd ook haarscherp en eloquent. Gewoonweg genadeloos. In een paar minuten werden het voorstel en ik piece by piece gefileerd. Het laatste dat ik hoorde van zijn uitbarsting was: ‘En ik zeg dit, en op deze manier, omdat ik je serieus neem.’

Je leest de afgelopen dagen hier en daar dat Eberhard geen tegenspraak duldde. Maar deze confrontatie met hem enkel zien als een voorbeeld daarvan zou hem geen recht doen. Zijn woede ging volgens mij namelijk niet over tegenspraak krijgen, of gelijk hebben, maar over toewijding. Of we nu inhoudelijk een punt hadden of niet: ik bracht mijn betoog in vrijblijvendheid. Ik wees aan waar en hoe het beter kon, en kon vervolgens zelf overgaan tot de orde van de dag. Ik kon het droppen en weer doorgaan; morgen zou voor mij niet anders zijn.

En daar moest je bij Eberhard niet mee aankomen. Als je vindt dat iets beter kan, dan ga je daar wat aan doen. Dan neem je je verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid die draag je totdat het beter is, of totdat je de pijp uitgaat. De vrijblijvendheid van deze jonge hond sloeg genadeloos stuk op zijn onbegrensde toewijding.

En wat dan? Zijn toewijding zonder reserve – kun je je dat voorstellen, zonder enige reserve? – confronteerde me met mijn eigen toewijding. Want hoe ver wil ik gaan? Waarin wil ik zo ver gaan? Welke waarde heeft dat? En wat laat ik ervoor schieten?

Ik kwam er achter dat ik een torenhoog respect had voor zijn toewijding, maar ook bang was om hem daarin te volgen. Ik dacht aan Steve Jobs, die vereerd wordt om zijn monomane toewijding, maar zich op een dag in zijn vrijwel lege villa – hij kon de perfecte meubels niet vinden – realiseerde dat hij was vergeten om zijn dochter Lisa een plek te geven in zijn leven, dat volledig werd gedomineerd door zijn taak. En ik moest denken aan het verhaal van de dominee, die zich vanuit zijn functie dag in dag uit hard maakte voor het hoeden van zijn ‘schapen’, en die toen zijn enig kind hem vroeg of zijn vader wel van hem hield, antwoordde: ‘Ik hou van alle kinderen in mijn kudde’.

Ik heb Eberhard nooit gevraagd hoe hij keek naar die schaduw van toewijding. Ik weet dus ook niet wat hij vond van zijn ‘jochie’ Asscher, toen die grenzen trok omdat hij naast politicus ook vader wilde zijn. En ik weet al helemaal niet hoe hij dat zelf deed. Ik weet wel, zoals inmiddels iedereen, dat hij iets ‘wegduwerigs’ had als het ging om de kwetsbare zaken die zich soms in de schaduw van de toewijding kunnen verschuilen. Dingen die wat mij betreft trouwens helemaal niet alleen het gezin betreffen. Ook familie, vrienden, kunst, gezondheid en noem maar op. Alles dat een eigen waarde heeft, zonder dat het in directe zin bijdraagt aan het uitvoeren van je taak.

Ik kon hem uiteindelijk niet volgen in zijn toewijding aan zijn stad of aan zijn (en in mijn geval: mijn) functie, hoe inspirerend het ook was wat hij deed en hoe groots de erfenis ook is die hij achter laat. Ik ontdekte door zijn open aanval dat ik mezelf niet ondergeschikt wilde maken aan mijn functie. Maar wel aan het leven zelf. Dat ik zijn motto ‘alles voor de stad’ niet overnam, maar er ‘alles voor het leven’ van maakte. En dat het elke dag een verschrikkelijk maar ook prachtig raadsel is om je te laten raken door wat er gebeurt en dan te bepalen wat ‘alles voor het leven’ in de praktijk nou eigenlijk betekent. En wat het van je vraagt.

Want ik hou van ridders die strijden voor de goede zaak, maar ik wil geloof ik niet tot aan mijn dood een harnas dragen.

De avond na de confrontatie zag ik aan de naamplaatjes op de borden dat ik tijdens het diner naast Eberhard zou zitten, geen idee of hij daar zelf een hand in had gehad. Vlak voor het voorgerecht fluistert hij me even toe: ‘Eet smakelijk, jongen’. Tijdens het hoofdgerecht proost hij met me op de stad en op de eerlijkheid, en zegt dat eerlijkheid vaak juist helemaal niet zo lang hoeft te duren, ‘vind je niet, Simon?’ Vette knipoog. En vlak na het nagerecht pakt hij mijn hand en drukt daar twee goudkleurige manchetknopen in, met de drie kruizen van Amsterdam er in gegraveerd. ‘Hier jongen, ik heb er al veel teveel, het ga je goed.’

Ik dank deze beer van een burgemeester, die niet alleen onbegrensd genadeloos, maar ook onbegrensd gul kon zijn. Eén die niet alleen kon raken, maar vooral ook geraakt kon worden.”

 

Reactie plaatsen